Landgoed Het Hulsbeek

Landgoed Het Hulsbeek dankt haar naam aan het nu nog bestaande Erve Hulsbeek. Het erf is geen erf in de zin van een boerenbedrijf, maar de boerderij als gebouw bestaat nog wel en heeft een bij dit landgoed aangepaste functie gekregen. Bij een van de laatste verbouwingen heeft de boerderij in uiterlijk opzicht zijn typisch karakter van het Nedersaksische hallehuis behouden. Kenmerkend zijn daarbij het hoogopgaande dak en de vlakke houten topgevels. De aan de top van de gevel verlengde windveren zijn bewerkt tot paardenkoppen en dienen als symbool tot het afweren van onheil. Deze eeuwenoude geveltekens zijn nauw verbonden met een zielend volksgeloof van de Twentenaren. De grote toegangspoort (niendeur) in de achtergevel (nienènde) is naar binnengeplaatst zodat er een diep portiek is ontstaat dat het ‘onderschoer’ wordt genoemd. Aan de zijwanden van het onderschoer werd allerlei gereedschap opgehangen maar ook het paardentuig.

De naam

De naamsverklaring van het erf blijft een hachelijke zaak. Dat het woorddeel Huls doet denken aan de immer groen blijvende heester die hulst heet, ligt voor de hand. Deskundigen opperen dat het ook met de oud-saksische voornaam Hul te maken kan hebben. Het tweede woorddeel laat zich gemakkelijker verklaren omdat het erf in de onmiddellijke nabijheid van de Gammelkerbeek is gelegen.

Een horig erf

Het erf ligt op het grondgebied van de oude marke Berghuizen, zeer dicht tegen de grens met de marke Gammelke. De oudste bron welke melding maakt van het erf zijn de registers en rekeningen van het Bisdom Utrecht. In het jaar 1385 noteerde de rentmeester van de bisschop het erf onder de naam Hulsbeke met de notitie vacat. Mogelijk wijst dit op het niet kunnen innen van de pacht. In die tijd was de bisschop namelijk landheer van het Oversticht, dus ook van Twente. Het erf maakte deel uit van de Bisschoppelijke horige domeingoederen. Dat betekent dat de bewoners horig waren aan de Utrechtse Bisschop. Voor hen gold het zogenaamde Twentse Hofrecht, een rechtstelsel dat alleen van toepassing was op de gebruikers van dit type boerderijen. In het rechtsgebied van Oldenzaal lagen tientallen van deze erven. Wanneer zij in het bezit van de bisschop zijn gekomen is onbekend. In Twente waren deze erven tot zeven groepen geformeerd. Als groep behoorde ze tot een zogenaamd Hof. Zo ressorteerde het erf Hulsbeke onder de Hof van Oldenzaal. Zo’n hof kan als hoofderf en als administratief centrum van een dergelijk groep erve beschouwd worden. De Hof werd bewoond door de hofmeier. Hij inde de pacht van zijn horige en maakte notities in het zogenaamde hofboek van de gebeurtenissen die op de boerderijen plaatsvonden. Zo is in het nog bestaande hofboek van de Hof Oldenzaal opgeschreven dat in 1748 de boer van het Hulsbeek 5½ stuiver heeft meebetaald aan “rigten van de jusitiepael”. Hiermee werd de galg bedoeld die buiten de wallen van Oldenzaal op de gerechtsplaats “De Tij” was opgesteld. Ook in 1779 toen de galg kennelijk aan vervanging toe was betaalde Hulsbeeke, evenals zijn mede-hofgenoten, weer 5½ stuiver voor het ‘oprigten van de neuwe galg’.

Opvolgende eigenaren

Nadat in 1528 de bisschop zijn wereldlijke macht had overgedragen aan Karel V werd deze ook bezitter van de bewuste erven. Vervolgens werd in 1556 Filip II landheer en eigenaar. Nadat deze in 1578 was afgezworen kwamen de boerderijen in handen van de provincie Overijssel. De status horige bleef daarbij gehandhaafd, formeel tot 1795, praktisch tot 1811. Voor Twente en Oost Gelderland een unieke omstandigheid vergeleken met de rest van Nederland.

In 1892 kregen de bewoners van het erf gelegenheid het erf te kopen omdat dit type erven door de Staat der Nederlanden, die inmiddels eigenaar was geworden, te koop werd aangeboden omdat de staat met de opbrengst van de verkoop mede de staatsschuld wilde aflossen die zij met het Franse avontuur had opgelopen.

Erfbeschrijving

In 1554 zijn alle horige erve door de ambtenaren van Karel V geïnventariseerd, dus ook het erf Hulsbeek. Deze inventarisatie bestond uit het opnemen van alle percelen grond die bij het erf hoorden. Deze werden allemaal met naam genoemd. Het Kadaster werd immers pas rond 1830 functioneel. Verder werden de lasten die op het erf rusten geregistreerd evenals de horige bewoners. Merkwaardig is dat sommige van de toen genoemde percelen grond tegenwoordig nog als veldnaam bekend zijn. Uit de beschrijving blijkt dat het erf Hulsbeek niet gewaardeerd was, maar dat het een ‘koette’, een katerstede was (benaming voor een kleine hutachtige boerderij met land). Dat wil zeggen dat het erf minder rechten had in de marke vergeleken met de gewaardeerde erven. Het bij het erf behorende bouwland lag op een kamp bij het huis, geheel gescheiden van andere bouwlanden. Verder bezat het een stuk ‘gaerdenlandes’ (moestuin), maar geen weilanden of bos: ‘Tot dyt voerschreven koette behoert ghene hoylant ende oeck ghen koenweyde, dan alleynlyck yn dye heyde up dye gemente dat almans beeste gaen. Tof dyt voerschreven koette en behoert oeck gen eeken offt boeken holt, ende hefft oeck ghen andeel tot den gemenen holte dat ynde marcke van Berchusen staet. Een beschrijving waaruit blijkt dat het inderdaad geen groot erf is geweest. Het erf bezat geen eigen hooi- en weilanden (koeneyde). Het vee mocht grazen op de gemeenschappelijk heide waar ook het vee van de anderen graasden. Het erf was ook niet beplant met eiken- of beukenhout, iets wat bij de horige domeinerven praktisch niet voorkwam. Het mocht zelfs geen gebruik maken van het gemeenschappelijk hout dat de markegronden van Berghuizen leverden. Vergeleken met het gemiddelde gewaarde Twentse erf kwam het Hulsbeek er bekaaid af.

Bewoners

In de beschrijving uit 1554 zijn de toen nog levende bewoners van het erf genoemd: Ten eyrsten dye man dye up dyt voerschreven koette nu wont dye ys genoempt Wolter ende ys Keyserlyke Mayesteyts hoffhorych. Ende sys huysvrouwe ys genoempt Grete ende dye solve ys vrygeboren. Ende dye hebben t’samen ses kynderen dye oeck also samen vrygeboeren synt. Want dye moeder ys vergunt vrygeboren to blyvendoe sye up dat kpette quam. Woervan sye eyne concentesbreff hefft. Daer hyr dye kopie vanden solven breff mede overgelevert wort.

Noch so synt dyt voergeschreven koette gebaeren van van Luycken Wergernynk dye oeck upt koette gewont hefft, twe sons ende worden genoempt als hyr volgt: Johan en Lambert. Noch eyne dochter genoempt Zwene.

Noch ys van dyt voergeschreven koette gebaeren eyn vroupersone de Keyserlycke Mayesteyt oeck horych ys ende wort genoempt Fenne. Desolve ys wonnende yn Hollandt omme hoer broet to verdenen.

Noch ys van dyt koette genaeren eyner genoempt Gerdt ende wont bynnen Oldenzaell ende ys eyn lynen doeck wever.

Belasting

Ook het verpondingsregister van Twente uit 1601, een belasting register waarin de te betalen belasting over onroerende goederen is geregistreerd, bevestigt nog eens de beperkte omvang van het erf. Van het Hulsbeek werd genoteerd: ‘Hulsbecke, een kotte, middelmatiges 5 mudde; an olthoveige landen 1 mudde’. Tot het erf behoorde 5 mud bouwland en nog 1 mud land dat van ouds tot het erve heeft behoort (1 mud is ca 0,5 hectare). De Twentse gewaardere erven bezaten al gauw het dubbele aan landareaal. Ook nu wordt niet over bij het erf behorend weiland gesproken. Deze beperkte omvang van het erf en het rechteloos zijn in de marke moet voor de bewoners tot een zeer moeilijk bestaan hebben geleid.

Schulden op het erf

Dat de bewoners van het erf een moeilijk bestaan hebben gehad is na te gaan als we zien dat het erf Hulsbeek in 1672 een achterstallige pacht had van 185 gulden en 12 stuiver. Ongetwijfeld zal de inval van de Munsterse bisschop Bernard van Galen in dat rampjaar daarbij een rol gespeeld hebben. Plunderend en brandstichtend trokken zijn troepen in juni van dat jaar Twente binnen. Daarbij waren de Twentse erven een gewillige prooi.

In 1680 werden de schulden geïnventariseerd die op het erf Hulsbeeke rustten. De toenmalige meier, Jan ten Hulsbeecke moest nog 20 gulden aflossen van een kapitaal van 45 gulden dat hij had geleend van Jan Simerinck. Om aan de renteverplichting te voldoen had Jan ten Hulsbeecke gedurende 17 jaar een stuk land van het Erf Hulsbeek in gebruik gegeven aan de geldschieter. Evenzo had hij in 1676 van Gerrit de nieuwe smit te Oldenzaal 45 gulden geleend. De erfgenamen van deze inmiddels overleden Gerrit hadden eveneens voor de renteverplichting zes spint land van het erf Hulsbeek in gebruik (1 mud is 16 spint). In 1670 had Jan ten Hulsbeecke ook nog 61 gulden en 9 stuivers geleend van Gerrit Pot uit Oldenzaal welke voor de betaling van de jaarlijkse rente 6 spint grond in gebruik had. Tot slot was in 1668 nog een lening ter grootte van 139 daalder aangegaan met de weduwe van Henric Helmich. Hiervan werd ‘om goede consideratie van ’t capitaal geremittiert 39 daalder’ zodat de schuld nog altijd 100 daalder bedroeg. De rente was altijd voldaan en bedroeg 5%.

Bijna 100 jaar later zat de toenmalige boer van het erf, Berend Hulsbeke, eveneens in moeilijkheden. Waar de 18e eeuw voor Twente een eeuw was met betrekkelijke rust als het ging om oorlogshandelingen, daar zorgde de natuur soms voor levensgrote en levensbedreigende problemen. Berend wilde na het overlijden van zijn moeder het bouwrecht van het erf Hulsbeeke overnemen en diende daartoe volgens het hofrecht zogenaamde erfwinning te betalen. Erfwinning bestond uit het betalen van een geldbedrag aan de ‘Heer’ van het erf. In 1775 verzocht Berend om kwijtschelding van de erfwinning ‘en wel om de reden van zijn slegten toestand, als zijnde met verscheiden schulden beladen, die grootdeels veroosaakt zijn, doordien zijn wijlen moeder, in ’t gepasseerde jaar overleden, zedert een reeks van jaren, en wel ongeveer drie en dertig jaaren, steeds, nadat zij twalef kinderen hadde ter wereld gebragt waarvan suppliant de jongste is, aan een quijnende ziekte sukkelende is geweest, en niet alleen bijna niets tot voordeel in de huishoudinge heeft kunnen doen, maar bovendien in alle die tijd veel geld tot medicineren heeft moeten besteden, waar door zijne ouders, die in den beginne van hun trouwen in goeden toestand waren, hunne pagten en Heeren Lasten aan betaalden dog door dit droevig geval, alsmede door het afsterven van vee, merkelijk zijn ten agteren en in veele schulden geraakt’.

Het erf in bezit van de bewoner

Maar zoals het spreekwoord zegt: De rijkemansbuidel noch bedelstaf zal drie generaties achtereen aan dezelfde deurknop hangen. Op 31 augustus 1782 n.l. is Jan Hulsbeeke, die toen het erf exploiteerde, in staat om het erf Hulsbeek door koop in bezit te krijgen. In dat jaar werden door de Nederlandse staat, inmiddels eigenaar geworden, op grote schaal de voormalige horige boerderijen voor verkoop aangeboden aan de boeren die deze erven bewoonde en bewerkten.

De financiële positie van Jan hulsbeek was er kennelijk naar dat hij voor 2.58,85 gulden eigenaar werd van het erf waarop zijn voorouders eeuwenlang als horige hadden geleefd. De Publikatie van Mensch en de Burger uit 1795 hebben het definitieve einde van de horigheid ingeluid.

Historische kaart van Het Hulsbeek

De Watermolen

In de tuinmuur van het museum Paltehuis te Oldenzaal is een gevelsteen ingemetseld die afkomstig is van een watermolen die ± 125 meter zuidoostelijk van het erf aan de Gammelkerbeek heeft gestaan. Vertaald in het Nederlands luidt de Latijnse tekst op deze steen:

1589. Nadat het vuur de molen in het genoemde jaar verteerde, heeft de Raad haar in het ondervermelde jaar weer vernieuwd, 1632, toen raadsheren waren Petrus Janssen sr., Albert Helmich, Arnold ten Hoente, Gerard Tappe, Adolf a Limborch en Henric Poscamp, meester der beide rechten. Bewaar ons Heer Jezus in Uw Waardigheid en Gerechtigheid.

De tekst is duidelijk; de molen was in 1589 afgebrand en de raad van Oldenzaal besloot haar weer te laten opbouwen. Dat tussen het afbranden en opbouwen een tijdsbestek ligt van 43 jaar is toe te schrijven aan de erbarmelijke gevolgen voor Twente, en met name het rechtsgebied van Oldenzaal, van de tachtig jarige oorlog (1568-1648) heeft moeten ondervinden. Meer dan 20% van de Twentse akkers lagen ongebruikt. Dit is een gemiddelde voor heel Twente. Dat betekend dat in het Oldenzaalse rechtsgebied de verwoesting veel groter is geweest vanwege het strategische belang van de stad Oldenzaal. Tussen 1572 en 1626 waren er immers zes machtswisselingen tussen de Staatsen en de Spaansen. De gevolgen voor het omringende land laten zicht dan raden.

De watermolen stond bekend onder de naam ‘Hulsbeker Watermolen’. Mogelijk heeft deze molen tot het erf Hulsbeek behoord. Vanwege het feit dat de raad van Oldenzaal de molen in 1632 laat herbouwen mogen we concluderen dat de molen dan al in het bezit is van de stad Oldenzaal. We lezen verder dat in het begin van de 18e eeuw de molen behoorde tot de Algemene Armenstaat van Oldenzaal. Tussen 1730 en 1749 is de molen particulier bezit geweest. Gedurende deze periode schijnt de toenmalige pachter, Lubbert Hulsbeek, de molen slecht beheerd te hebben. In 1749 werd de molen weer door de Armenstaat teruggekocht en spoedig daarna is hij afgebroken. Ook het bij de molen behorende woonhuis dat door Lubbert Hulsbeek werd bewoond was door hem totaal uitgewoond. In de periode april 1763 - februari 1764 werd door hem een nieuwe woning gebouwd. Zowel de oude als de nieuwe woning werden aangeduid als de ‘Hulsbeker Muldersplaats’, tegenwoordig nog bekend als de ‘olde Mulder’, immers Lubbert was toen toch de oude mulder.

In 2010 is een project opgestart om de restanten van de watermolen, die nog duidelijk zichtbaar in de beekbodem aanwezig zijn, toegangkelijk te maken voor het publiek. In 2013 is dit project uitgevoerd middels een molenbrug van cortentstaal over de beek en een molencirkel met twaalf Bentheimerstenen met elk een verwijziging naar een molen uit de rijke molenhistorie van Oldenzaal. In het najaar van 2013 is het project afgerond met het plaatsen van een molenrad van staal met een diameter van 4 meter.

De afgelopen 125 jaar

In 1892 is het erf verbouwd door de Oldenzaalse textielbaron Gelderman. Het karakter van het Nedersaksische hallehuis is goed behouden gebleven. De paardenkoppen aan de gevels zijn eeuwenoude tekens voor het afweren van onheil.

In 1908 is de buitenplaats uitgebreid met een jachthuis ontworpen door de Amsterdamse architect Karel Muller. De tuin en vijver zijn aangelegd rond 1918 en zijn van de hand van de gerenommeerde landschapsarchitect Leonard Springer.

De laatste boerenpachters van Erve Hulsbeek was de familie Pollemans. Deze familie is in 1949 vanuit Oude Tonge van het Zuid Hollanse Goeree-Overflakkee naar Oldenzaal gekomen. 

In 1968 heeft het Landgoed een recreatieve bestemming gekregen. Erve Hulsbeek is tijdelijk nog als Manege Het Hulsbeek in gebruik geweest. Nadat de manege een eigen plek kreeg op Het Hulsbeek is de buitenplaats in 1986 verbouwd tot partyrestaurant met een groepsaccommodatie.

Sinds 2002 hebben er diverse verbouwingen plaatsgevonden en is Erve Hulsbeek verbouwd tot een multifunctionele accommodatie met meerdere karakteristieke ruimtes zoals ’de Erve Zaal met de serre en veranda’, ’de authentieke Pronkkamer’ en het gezellige cafeetje ’In de Oude Potstal’ met overdekt terras. Sinds de grote verbouwing van het restaurant in 2007 is Buitenplaats Erve Hulsbeek trouwlocatie voor de gemeente Oldenzaal.

In 2010 is de Springertuin gerenoveerd aan de hand van de originele ontwerpen van L.A. Springer uit 1917. De wandelpaden zijn hersteld, er zijn terrassen aangelegd en de Springerheuvel is weer verhoogd. tijdens de renovatie van de Springertuin zijn de restanten van de fundering een middeleeuwsewatermolen in de Gammelkerbeek gevonden. De Stichting Hulsbek Watermolen is een project gestart om deze restanten voor de bezoeker zichtbaar te maken. Dit project wordt eind 2013 afgerond met het plaatsen van een eigentijds waterrad.

In 2012 is het nieuwe viersterren hotel geopend, gebouwd geheel in stijl van de locatie, met 15 luxe kamers. In 2013 is een authentieke kapschuur gebouwd van hout uit de directe omgeving van Erve Hulsbeek. In 2014 is de yoga studio in gebruik genomen. In 2015 is de nieuwe receptie gebouwd en is de voormalige receptie omgebouwd tot ontbijtruimte. In 2017 is de kapschuur uitgebreid met een fietsenstalling voor de hotelgasten.

in 2018 wordt het viersterren hotel uitgebreid met 13 luxe kamers, 3 familiekamers en 2 juniorsuites. De opening van het nieuwe gedeelte is eind juli 2018.